Voor 'een beetje tuinier' is het al op 1 maart lente. Het goede leven is weer begonnen. Heerlijk buiten, de zon op je gezicht, lekker bezig met planten en de tuin en ondertussen je gedachten alle kanten uit laten dwalen. De vogels zitten alweer te juichen in de bomen en struiken, het nestkastje wordt driftig geïnspecteerd en ik heb de merelmannetjes alweer mos van de tuinmuurtjes zien trekken om hun nieuw gebouwde nest te bekleden: Ma Merel wil zacht zitten! Wat de tuin betreft hoef jij niet te blijven zitten. Je kunt volop aan de slag.
Winterdek weghalen
'Losdekken' noemen kwekers dat. Bij alle planten waar je op de een of andere manier een beschermlaag had aangebracht, kun je die nu weghalen. Dat geldt vooral voor vaste planten als anemonen, Yucca's, vuurpijlen en al die andere soorten die niet zo best kou verdragen. Als zo'n winterdek blijft liggen, krijgen de planten het eronder te warm, waardoor ze te vroeg tot ontwikkeling komen en kunnen bevriezen. Ook boven bloembollen (lelies bijvoorbeeld) moet je de turfmolmlaag die je misschien had aangebracht, weghalen. Anders vormen de bollen veel te gerekte bloeischeuten (neuzen). Houd wel een stuk tuinvlies - zo'n lichte kunststof doek - bij de hand om de platen snel af te kunnen dekken als het onverhoopt toch weer even gaat vriezen. Je weet het maar nooit. Noppenfolie is daar trouwens ook heel goed voor.
Schoon de planten op
Als je de dode bloeistengels en het afgestorven blad nog niet bij de vaste planten hebt weggehaald, kun je dat nu ook doen. Doe wel voorzichtig. Beschadig de jonge groeineuzen die nu uit de grond komen niet. Het dode materiaal kan in de compostcontainer.
Pak ook de rozen uit
Vooral stamrozen zijn meestal wel op de een of andere manier ingepakt tegen vorst. Iedereen weet dat die kronen hoog boven de grond gemakkelijk bevriezen. Gelukkig kunnen de lelijke plastic zakken die daar vaak voor worden gebruikt, nu van de planten worden afgehaald. Het gebruik van zo'n zak is eigenlijk helemaal niet goed, omdat de planten daarin gemakkelijk kunnen gaan broeien en te vroeg scheuten gaan vormen. Als je ze laat in de herfst weer inpakt, kun je veel beter groene coniferentakjes rond het oculatiepunt (waar de takken uitkomen) binden. Dat werkt beter en staat veel mooier.
Rozen snoeien
Je struik- en stamrozen moet je tussen 1 maart en 1 april snoeien. Snoei je struikrozen kort, tussen 10 en 30 cm boven de grond. Gebruik altijd een scherpe snoeischaar die een gladde snede maakt. Haal eerst al het dode hout weg, ook alle iele takjes en snoei dan de stevige, gezonde takken in. Hoe korter je snoeit, des te krachtiger worden de nieuwe scheuten. Aan een goede struik zitten zo'n 7 à 8 sterke takken. Snoei van twee takken die te dicht op elkaar zitten of elkaar kruisen, er ook één weg. Snoei kort boven een naar buiten wijzend oog (een knop). Laat je er een te lange stomp boven zitten, dan sterft die in en dat kan allerlei ziekten veroorzaken. Miniatuurroosjes moet je niet zo kort snoeien, verder is de behandeling hetzelfde. Botanische of heesterrozen moet je niet kort snoeien. Als ze te groot worden, kun je wel wat oude takken bij de grond wegnemen. Bij klim-, treur- en bodembedekkende rozen kun je eventueel nog wat takken inkorten als die te lang worden of verkeerd groeien. Als er veel nieuwe, jonge scheuten vanuit de basis komen, kun je ook daarbij eventueel wat oude takken wegnemen. Heel belangrijk is dat je de takken bij klimrozen gebogen of horizontaal aan de klimsteun vastbindt. Hoe beter horizontaal, des te meer bloeischeuten zullen ze vormen. De meeste stamrozen zijn gewoon struikrozen die op een onderstam zijn geënt. Die kun je bovenin gewoon als struikrozen snoeien. Heeft je stamroos een treurvorm met hangende takken, dan geldt wat ik hierboven over treur-, klim- en bodembedekkende rozen heb vermeld.
Andere heesters snoeien
In principe kun je alle heesters die pas in de zomer of de herfst bloeien, nu snoeien. Snoei geen takken weg bij soorten die in het voorjaar bloeien. Dan snoei je ook de bloemknoppen weg en krijg je dus geen bloemen. Bij de zomer- en herfstbloeiers moeten die knoppen nog worden gevormd en kan het dus geen kwaad. Zo simpel is dat!
Knap je gazon op
Het gras groeit al weer. Dus ook het maaien begint. Als er erg veel mos en vuil in de grasmat zit, kun je nu verticuteren. Met een verticuteerhark of -machine trek je alle rommel tussen de grasplanten uit, je brengt lucht in het gazon en de graswortels worden doorgesneden, wat ze tot nieuwe groei aanzet. Je zult ervan staan te kijken hoeveel vuil er uit zo'n grasmat komt. Voer dat af of breng het op de composthoop of in de compostcontainer. Geef je gazon na het verticuteren een goede basisbemesting. Dat kan met organische mest of met stikstofrijke minerale mest. Maak het gazon na het mesten nat als het droog weer is, want de voedingsstoffen moeten in de grond trekken.
Lelies planten
Daar is het nu de tijd voor. De plantmethode is niet voor alle soorten leliebollen gelijk, dus kijk goed op de verpakking hoe het moet. De meeste lelies houden niet van kalk en moeten dus in zure grond staan, net als rhododendrons, heideplanten enz. Je moet de bollen diep planten (hoe diep staat op de verpakking), want ze vormen zowel vanuit de bollen als vanuit het onderste deel van de stengels wortels. Dat diep planten gebeurt ook omdat je leliebollen het best jaar-in-jaar-uit gewoon in de grond kunt laten. Zo hebben ze weinig last van de vorst. Zorg voor goede drainage onder in het plantgat. Een handje fijn grind is prima. Vul het plantgat op met goede potgrond en strooi na het planten wat mest op de plantplek.
Schoffelen en wieden
Het onkruid groeit al weer hard. Begin meteen met het verwijderen, want wat je nu weghaalt, zaait zich in ieder geval niet meer uit. Doe je niets dan kan je hele tuin binnen enkele weken groen van het onkruid zijn. Als je schoffelt, moet je zorgen dat het blad van je schoffel horizontaal en net onder het grondoppervlak de onkruidstengeltjes doorsnijdt. Onkruid weghalen hoeft dan niet. Het verdroogt en verdwijnt heel snel. Zorg dat je geen stengelhalzen en wortels van planten beschadigt. Met een schoffel maak je een duwende beweging, met een hak (minder praktisch voor dit doel) een trekkende.
Een goede basisbemesting
De planten gaan weer volop aan de groei en hebben juist nu grote behoefte aan voedingsstoffen. Geef je hele tuin en goede basisbemesting. Dan kunnen ze er weer even tegen. Organische mest is nu het meest belangrijk, omdat dat langer en meer gedoseerd voedingsstoffen afgeeft. Geef je planten bijvoorbeeld beendermeel (je hoeft niet bang te zijn voor ziekten, het is gesteriliseerd), bloedmeel, gedroogde koemestkorrels, voedselrijke compost of iets dergelijks. Geef het zowel aan je bomen, heesters als vaste planten. Vergeet ook de haag niet. Strooi ook daaronder mest uit. Strooi niet tegelijk kalk en meststoffen. Die reageren met elkaar waardoor de voedende stikstof verdwijnt. Zeewierkalk kan weer wel, dat is organische kalk die anders uitwerkt.
Vaste planten delen
Als je hebt gemerkt dat bij polvormende vaste planten het hart dood is, kun je zulke planten verjongen door ze te delen. Spit ze met wortel en al uit de grond, trek of snij de jonge randdelen los en gooi het oude hart weg. Plant de jonge randdelen weer als aparte planten in. Net zo diep als ze eerst ook stonden. Wel eerst de grond op de plantplek goed mesten en losmaken. Geef na het inplanten flink water.
(bron: www.rtl.nl)
HET VERPLANTEN VAN BOMEN is een hele operatie voor ze
Het valt niet mee om opeens op een heel andere plek te moeten staan, in heel andere grond, onder heel andere omstandigheden. Bovendien hebben de wortels van het verplanten te lijden en moeten ze vooral snel kunnen hergroeien. Daar kun je ze bij helpen.
Veel mensen hebben er een hekel aan als de klimop in de zomer zijn oude blad laat vallen. Dat gebeurt onherroepelijk als je dat nu niet voorkomt. Je kunt het oude blad er nu al af knippen. Door klimop te knippen blijft het ook mooier compact tegen de muur of schutting zitten.
In pot of met kale wortels.
Tegenwoordig worden heel veel bomen in pot gekweekt. Dat is prima, maar als een boompje vrij lang in een pot staat groeien de wortels gewoon door en gaan zich spiraalsgewijs langs de binnenkant van de pot opwinden. Dan ontstaat een soort wortelbal die na het uitplanten in de volle grond heel moeilijk naar buiten toe uitgroeit. De wortels kunnen dan ook minder goed water en voedsel zoeken en de boom krijgt het moeilijk. Als je de kluit van een boom uit zijn pot haalt, moet je de buitenste wortellaag dan ook altijd wat losmaken voor je hem inplant. Dat helpt. Bij bomen die met kale wortels (zonder kluit grond eromheen) worden geleverd heb je dat probleem niet. Die moet je alleen zo snel mogelijk inplanten, want de wortels drogen heel snel uit. Wat je van de wortels ziet, is eigenlijk alleen het hoofdwortelstelsel. Wat je niet ziet, zijn heel fijne haarworteltjes die daaruit groeien en die het eigenlijke werk doen. Die nemen water en het in water opgeloste voedsel op. Bij het oprooien en planten breekt het overgrote deel van die fijne worteltjes af. De boom moet die na het inplanten dus eerst weer aanmaken (geldt voor een deel ook voor bomen uit potten) om uberhaupt te kunnen 'eten'.
Hoe je moet planten
De bedoeling is dus dat de boom weer zo snel mogelijk op zoek kan gaan naar voedsel in zijn nieuwe omgeving. Daarvoor is een ruim plantgat nodig en grond waar de wortels in kunnen doordringen. Als je in lichte grond (zandgrond) plant is het goed dat wat te verbeteren door organisch materiaal (potgrond voor beplanting) door de uitgegraven grond te mengen. Maar overdrijf het niet. Door zware kleigrond kun je fijn grind of grof zand mengen. Dat bevordert de drainage. Plant de boom net zo diep als hij in z'n pot of op ons tuincentrum stond. Dat kun je zien aan de verkleuring op de stam. Wat onder de grond zat is bruinig, wat boven de grond zat groenig. Spreid de wortels van bomen met kale wortels goed uit, zorg dat de worteleinden plat liggen (ze moeten liever niet langs de wanden omhoog staan. Dat remt de uitgroei.) Let erop dat bij het vullen van het gat de grond goed tussen de wortels terecht komt. Het helpt als je bij het opvullen de boom iets laat 'trillen' (even iets op en neer schudden). Trap de grond daarna stevig aan en geef flink water. De grond in het plantgat mag kletsnat worden. Bomen met kale wortels kun je het beste tussen november en maart planten. Bomen die in pot zijn gekweekt kun je in principe het hele jaar door planten. Plant nooit als het vriest, als de grond (nog) bevroren is, als de grond kletsnat is of juist erg droog.
Als je een boompaal zet
Vroeger werden bomen vaak erg zwaar aangebonden. Een nadeel daarvan is dat een boom op zijn paal gaat 'leunen' en zich te weinig met zijn wortels in de grond verankert. Als je dan later de boompaal weghaalt, kan de boom bij een flinke storm gemakkelijker omwaaien dan een boom die zich wel stevig aan de grond vasthoudt. Maar op een winderige plek is het altijd aan te raden bij een jonge boom een boompaal te zetten. Die moet je niet in de bodem van het plantgat slaan als de boom daar al staat. Dan beschadig je de wortels. Dus eerst het gat graven, dan sla de boompaal in de bodem en daarna zet je de boompaal erbij. Spreid de boomwortels er omheen uit. Gebruik een paal van onbehandeld hout of één die onder hoge druk is geïmpregneerd en waar dus geen impregneermiddel kan uitspoelen. Dat is puur vergif voor planten, dus je begrijpt wat dat met de wortels kan doen. Als je een boom uit een pot plant, moet je de paal schuin inslaan (onder een hoek van 45 graden), zodat de kluit er makkelijk naast in het gat past, maar de boom wel makkelijk aan de paal kan worden gebonden. Vroeger gebeurde dat aanbinden vrij hoog aan de stam. Tegenwoordig is er een voorkeur om dat een stuk lager te doen, zodat de kroon van de boom meer kan bewegen. Dat bevordert de wortelverankering waar ik het net over had. De boom moet dus eigenlijk iets bewegingsvrijheid hebben. Bind aan met boombinder (in 8-vorm om stam en paal heen).
Onkruidvrij houden en water geven
Nogmaals: de wortels moeten zich zo snel en goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarvoor is het heel belangrijk dat ze over voldoende water kunnen beschikken. Blijf de boom het eerste seizoen na het inplanten regelmatig water geven. Het is heel makkelijk als je daarvoor een oud plantenpotje boven de wortels in graaft, waar je als in een trechter water in kunt gieten dat dan vanzelf naar de wortels sijpelt. Ook heel belangrijk is dat de boom zolang hij jong is geen last van onkruidgroei bij zijn wortels heeft. Houd een ruime cirkel grond (een zogenaamde boomspiegel) rond de stam vrij van onkruid door het eerst goed te wieden en daarna de grond af te dekken met een mulchlaag. Als je mijn aanwijzingen opvolgt lukt het wel met je boom.